
‘Veel mensen weten nog niet goed wat de AI-fabriek concreet biedt’
Joke Bruining, senior projectmanager bij TNO Groningen en kwartiermaker namens TNO bij de Nederlandse AI-fabriek, richt zich vooral op het klantperspectief.
Onderstaand deel twee van het interview waarin zij haar bijdrage aan de totstandkoming van de Nederlandse AI-fabriek toelicht:
Wanneer is een project ‘AI-fabriek ready’?
Een van de grootste uitdagingen vindt Bruining het goed uitleggen wat de Nederlandse AI-fabriek precies is, en voor wie, en wanneer je wel of niet bij de AI-fabriek aanklopt. “Veel mensen weten nog niet goed wat de AI-fabriek concreet biedt. Niet ieder AI-project heeft een AI-supercomputer nodig. Sommige modellen kun je prima ontwikkelen op reguliere infrastructuur en met de bestaande expertise van Nederlandse AI-bedrijven. Maar er zijn ook toepassingen die zoveel rekenkracht of zoveel trainingsdata vragen dat gespecialiseerde infrastructuur nodig is.” Ze refereert onder meer aan het DigiAgro-project, dat voor doorontwikkeling gebaat is bij een AI-supercomputer om grotere modellen te ontwikkelen om op grote schaal data te delen.
Daartussen zit volgens haar een groot grijs gebied. “Organisaties vinden het soms lastig om in te schatten of hun vraagstuk geschikt is voor de Nederlandse AI-fabriek. Het expertisecentrum ontwikkelt een checklist of scan om na te gaan of de AI-fabriek en een voorstel of plan een goede match kunnen vormen. Tot die tijd willen we vooral laagdrempelig zijn. Als partijen een goed idee hebben, moeten ze gewoon bij ons aankloppen. Als blijkt dat ze toch ergens anders moeten zijn, kunnen wij ze begeleiden naar het juiste loket, zowel in Nederland als in Europa.”
Warme overdracht
Ook voordat de Nederlandse infrastructuur volledig operationeel is, kunnen organisaties al gebruikmaken van Europese AI-supercomputers via EuroHPC JU-calls. “Als wij merken dat een project beter past bij een andere Europese AI-fabriek of bij een andere Nederlandse organisatie, dan zorgen we voor een warme overdracht. Het is belangrijk dat organisaties niet van het kastje naar de muur worden gestuurd.”
De samenwerking tussen de verschillende consortiumpartners binnen de Nederlandse AI-fabriek ervaart Bruining als constructief en energiek. “We hebben allemaal een andere achtergrond en expertise, maar iedereen voelt heel sterk dat dit cruciaal is voor Nederland. Dat zorgt voor veel commitment.” Volgens haar zit juist daarin de kracht van het project. “TNO richt zich meer op het ontwikkelen van grote AI-modellen, SURF heeft veel expertise op het gebied van infrastructuur en onderzoek en AIC4NL en Samenwerking Noord brengen weer het ecosysteem en business development mee. Die rollen vullen elkaar goed aan.”
Ook op Europees niveau ontstaan steeds meer samenwerkingen tussen de verschillende AI-fabrieken. “Er zijn allerlei internationale overleggen over bijvoorbeeld datalabs, KPI’s en gebruikersbegeleiding. Dat netwerk wordt steeds belangrijker.”
Structuur aanbrengen
Wat Bruining het leukste vindt aan haar werk als kwartiermaker? Daar hoeft ze niet lang over na te denken. “Ik hou heel erg van de analysefase: structuur aanbrengen, helderheid creëren en teams op één lijn krijgen.” Het pionieren geeft haar veel energie. “Je bent met elkaar iets totaal nieuws aan het opbouwen. Dan is het essentieel dat iedereen begrijpt wat we aan het doen zijn en daar ook enthousiast van wordt.” Ze is er trots op dat alle ingrediënten straks aanwezig zijn voor een goede start van het team van de Nederlandse AI-fabriek. “Ze kunnen direct meteen goed aan de slag.”
Totdat er een directeur is aangesteld zullen zaken nog via de kwartiermakers lopen. “Denk aan het geven van presentaties, het verzorgen van publicaties over wat de NLAIF gaat doen, noem maar op.” Ze realiseert zich dat haar rol verandert zodra de AI-fabriek volledig operationeel is. “Het kwartiermaken vind ik ontzettend leuk. Als alles straks draait wordt beheer en doorontwikkeling belangrijker.” Ze wil ook dan graag betrokken blijven bij het project. “Het lijkt mij leuk om vanuit TNO een aantal werkpakketten te trekken om bedrijven, met name het mkb, zo goed mogelijk en steeds beter te kunnen ondersteunen.”
AI als motor voor maatschappelijke innovatie
Bruining vindt het belangrijk dat het publieke debat over AI niet alleen gaat over risico’s en energieverbruik. “AI kost veel energie en daar zijn terechte discussies over. Anderzijds kan AI ook bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen.”
Ze wijst opnieuw naar toepassingen in de landbouw. “Als je met AI minder gewasbeschermingsmiddelen nodig hebt, minder energie verbruikt of efficiënter kunt werken, dan heeft dat enorme maatschappelijke waarde.” Daarbij spelen Europese waarden en digitale soevereiniteit volgens haar een cruciale rol. “We moeten voorkomen dat alle innovatieve bedrijven uiteindelijk worden opgekocht en we opnieuw volledig afhankelijk worden van partijen buiten Europa. Juist daarom is het belangrijk dat we hier zelf kennis, infrastructuur en innovatiekracht opbouwen.”
Nieuwe bedrijvigheid en maatschappelijke impact
Wat hoopt Bruining uiteindelijk dat de Nederlandse AI-fabriek Nederland gaat opleveren? “Ik hoop dat er nieuwe bedrijven, nieuwe toepassingen en nieuwe businessmodellen ontstaan die er anders niet waren gekomen.” Volgens haar kan de AI-fabriek organisaties helpen om met minder investeringen toch grote innovaties mogelijk te maken. “Bedrijven en kennisinstellingen krijgen toegang tot infrastructuur en expertise die normaal gesproken moeilijk bereikbaar zijn. Dat kan enorm stimulerend werken.” Maar de maatschappelijke impact is voor haar écht de kern. “Ik hoop dat de AI-fabriek eraan bijdraagt dat we technologie inzetten voor oplossingen die Nederland en Europa verder helpen.”
Deel 1 van dit interview: ‘De combinatie van technologie en maatschappelijke impact trekt mij het meest aan in deze opdracht’